dinsdag 9 juli 2013

De mensen trekken naar de bossen.

Toen de mensen kleiner waren, werden huizen niet gekweekt, maar groeiden langzaam in het wild.
Er waren jonge huisjes vergeven van de vensterbanken. Er waren oude zware huizen met een lange, zware schaduw en een winterdak.

In deze periode groeiden huizen langzaam uit tot steden waar je dagen in kon dwalen zonder ook maar één boom te zien.

Ik ben nog van de generatie waarvan verantwoordelijke ouders een sleutel in de grond plantten bij de geboorte van een kind,
Je zorgde je voor je huis, als kind. Keek toe hoe de overlopen langzaam ontloken, plukte je afstervende vensters weg... Een huis zei veel over de persoon, in die tijd.
Nu, nu zijn de mensen groot en stevig. Nu geeft niemand meer om de huizen. Alle jonge mensen trekken naar de bossen, de steden sterven langzaam af. Het zal niet lang meer duren voor alle huizen helemaal verdwenen zijn, en je alleen maar bossen ziet. Bossen, bossen, enkel nog bossen zover het oog reikt.